Excelsior is het langst nog bestaande dispuut uit Utrecht. Opgericht in 1870 geeft dit als gevolg dat er terug te kijken is op een lange geschiedenis. Op deze pagina is de beschrijving van onze historie te vinden die gemaakt is door ons oud-lid Kees Baggerman.

“Finis sit Excelsior Deo nos Iuvante”

Een beknopte historie van het Theologisch-Litterarisch Studentengezelschap “Excelsior Deo Iuvante”

Door: C. Baggerman, o.t. archivaris

“Verborgenheên met diep ontzag te melden,
die ons voorheen de vaderen vertelden,
die wij, hun kroost, ook niet verbergen mogen.
die stellen wij het nageslacht voor ogen.”
(Ps.78:2, O.B.)

Inleiding

Al jaren riep men op Excelsior dat nu eindelijk eens de geschiedenis van dit oudste nog bestaande Utrechtse dispuut moest worden vastgelegd. Vele archivarissen hebben daar in lustrumboekjes en dergelijke al een voorzet voor gegeven, maar nooit hebben zij de vrijmoedigheid ontvangen om dit werk uitgebreider ter hand te nemen. Bij de viering van het 25e lustrum in 1995 is de belangstelling voor de EDI-geschiedenis echter weer heviger opgelaaid dan ooit, en als vrucht van dit enthousiasme is toen een poging gedaan om, hoe beknopt dan ook, de geschiedenis van ons dispuut te beschrijven. Speciaal voor de nieuwe website is deze historie aangepast en uitgebreid.

1870: “…wij vrije Nederlandsche studenten”

Op 18 oktober 1870 is te Utrecht opgericht het Theologisch-Litterarisch Studentengezel­schap “Excelsior Deo Iuvante”, onder de zinspreuk “Lucerna Pedibus Meis Verbum Tuum”. Helaas is ons over de oprichting maar weinig bekend: notu­len ontbre­ken en het enige dat ons een kleine indicatie geeft over deze tijd is een oud fotoalbum dat zich in het archief be­vindt, met hierin enkele foto’s uit de vorige eeuw en een aantal achterna­men, in potlood.

Om iets meer te weten te komen over deze tijd moeten we dus op zoek naar bronnen buiten het Excelsior-archief. Zo is er de “Utrechtsche Studenten-almanak”: een door het Corps uitgegeven almanak voor de hele universiteit, met daarin de namen van alle studenten en docenten, alle colleges (met plaats en tijd) en ook bijvoorbeeld een kalender, de Postdienst, een tijdwij­zer met zon- en maansverduisteringen etcetera. Het tweede deel van de Almanak bestaat uit het zogenaamde “Mengelwerk”, waar de studenten hun literaire kwaliteiten den volke konden tonen in proza en poëzie.
In de almanak voor het jaar 1871 (die in november 1870 uit­kwam) kunnen we lezen hoe indertijd de sfeer aan de Utrechtse Alma Mater moet zijn geweest. Het jaar 1870 was het jaar van de Frans-Duitse oorlog, en deze strijd, zo dicht bij huis, moet grote indruk hebben gemaakt:

“Nog is het zwaard niet in de schede! Nog is aan Europa de vrede niet hergeven, waarnaar het smacht! Nog staan twee der machtigste volken als onver­zoenlijke vijan­den tegenover elkander. En temidden van dit alles is ons vaderland ongemoeid gebleven. Goddank! Nederland neutraal en wij vrije Nederlandsche studenten”.

Toch ging de oorlog niet aan iedereen ongemerkt voorbij; zo was er één onder de medische studenten,
“die met achterlating van alles wat hun dierbaar was en onder talrijke opofferingen waren toege­sneld op het noodgeschrei der talrijke gekwetsten, in den gruwelijken oorlog, ten einde hunne chirurgische kennis tot leniging van de pijnen der verminkten aan te wenden. Helaas! hij viel als slachtoffer zijner menschlievendheid. De smetstof, bij het ziekbed op hem overgeplant, sleepte hem binnen weinige dagen ten grave. Al rust hij ginds, vèr van zijn vaderland in vreemde aarde, zijne vrienden zullen hem nooit vergeten en ieder onzer zal, na een traan om zijn ver­scheiden te hebben geplengd, met trots uitroepen: Hij was Utrechts student!”

Hoe zag het er aan de Universiteit zelf uit? In november 1870 zijn er in totaal 491 studenten ingeschreven. Hiervan zijn er 184 studenten Godgeleerdheid, 67 in de Wis- en Natuurkunde, 20 in de Letteren, 77 in de Geneeskunde en 143 in de Rechten. De theologische faculteit was dus nog de grootste! Er waren drie hoogleraren in de Godge­leerdheid: prof. B. ter Haar (o.a. Inleiding Nieuwe Testament, Kerk- en Dogmengeschie­denis, Chr.Ethiek), prof. J.J. Doedes (Encyclopaedie, Exegese N.T., Catechetiek) en prof. J.J. van Oosterzee (Praktische Theolo­gie, Homiletiek). Zij gaven hun colleges allen bij henzelf thuis). Colleges Oude Testament werden door dr. P. de Jong gegeven in de Hongaarse Kerk.

De oprichting

Er bestond in deze tijd een rijk verenigingsleven aan de Universiteit; er waren vele gezelschappen, op allerlei gebied: voor de omgang tussen stad- en landgenoten (Frisia, Davonturi­um, Drenthina), het Wandelgezelschap Artemis, het Buks- en pistoolgezelschap Mars, het Vischgezelschap Jonas, het Zon­dagsgezelschap Tres Faciunt Collegium, gezelschappen ter bevordering van de aangename omgang (Les trois Mousquetaires en Vooruit met de geit) en twee gezelschappen tot bevordering van aangenaam nachtelijk verkeer (Morpheus en DGG).
Tussen al deze gezelschappen is er een aantal dat speciaal onze aandacht verdient: de gezelschappen voor de Hebreeuwse Letteren en Theologie (Philalètheia, Beréshít en Secor Dabar).
Daarnaast is er een keur aan gezelschappen ten behoeve van de uiterlijke welsprekendheid, zoals: Abraham des Amorie van der Hoeven, Elias Anne Borger, Dicendo Dicere Discunt, Chrysolo­gos, Bella­my én, opgericht 18 oktober 1870: Excelsior Deo Juvante! Bij de oprichting schreef men Juvante dus met een “J”. Het is halverwege de jaren zestig van deze eeuw geweest, dat men Iuvante met een “I” begon te schrijven; uiteindelijk werd er besloten om “EDI” te schrijven, maar dit uit te spre­ken als “Eédééjéé. Wellicht is dit ook de plaats om uit de doeken te doen wat nu “litterarisch” betekent. Het betekent niet meer en niet minder dan “letterkundig”: de Faculteit der Letteren heette de “Litterarische Faculteit”. Het “letterkun­dige” zal allereerst betrekking hebben gehad op de studie van de Hebreeuwse en Griekse taal; bovendien hoorde het opzeggen van enkele gedichten (het zogenaamde “recit”), of verzen van een berijmde psalm of een gezang decennia lang tot de vaste agen­dapunten. Overigens schijnt men vroeger ook wel gesproken te hebben van het Theologisch-Oratorisch of Homiletisch Stu­den­tengezelschap.

Wie waren nu de mannen die aan de wieg van Excelsior stonden? Met zekerheid is daar weinig over te zeggen. In het al eerder genoemde foto-album vinden we enkele namen. Van hen staan er zeven  vóór 18 oktober 1870 al ingeschreven in het “Album Studioso­rum Academiae Rheno-Traiectinae”: Johannes Gerardus Klomp (Doetinchem), Anne Knoll (Sexbierum), Gerardus van Dorssen (Utrecht), Henricus (Heinrich) Andreas Johannes Lütge (Elber­feld), Johannes Gerar­dus Bruining (geboren in Batavia, maar toegelaten door het gymnasium van Ootmarsum), Jacobus van den Bergen (Vlissingen) en Sybren Dijkstra (Tzummarum). Rede­lij­kerwijs mogen we aanne­men dat zij de oprichters zijn van EDI. Lütge, wiens foto als eerste in het album prijkt, moet de eerste praeses geweest zijn. Van Dorssen staat als secretaris vermeld in de Studen­tenalmanak en Bruining was de eerste fiscus.

Wat hebben de eerste leden van EDI met elkaar gemeen? In ieder geval waren ze geen van allen lid van het Studentencorps, een verschijnsel dat in deze jaren, zeker bij theologiestu­denten, steeds bekender werd. Op het (niet-theologische) corpsgezel­schap “Panta Noèta” hield in 1870 een theologiestudent die wél lid was van het corps,  hierover een lezing, “De verhou­ding van de theologan­ten tot hunne medestudenten”. Enkele fragmen­ten hieruit:

 “Van hem [sc. de theologiestudent] wil men ver­scheidene zaken weten daar men de anderen niet mede lastig valt; hij moet zijn oordeel zeggen over vraagpunten die men niet eens veronder­stelt dat de overigen slechts in de verte hebben horen vermel­den. Hij moet dingen hooren die anderen gespaard blijven. Sommigen, het zijn waarlijk niet de besten onder ons, zullen, juist in zijne tegenwoordigheid zich uiten op een wijze die hem hinderen moet, die profaan is of hem profaan moet klinken. Begaat hij geringe overtredin­gen, ge­bruikt hij kleine listen, zooals bijna ieder onzer ze in den groentijd gebruikt heeft, hij, als theologant, heeft zelfs van den ruwsten of onver­schilligsten student de scherpste verma­ning, de ergste beris­ping te wachten.”

Volgens de lector ís de theologiestudent ook wel enigszins anders:

“Vaak reeds voor zijn komst aan de academie onder den indruk gekomen -soms ook gebragt en gewron­gen- van hetgeen het ambt dat hij over zes of zeven jaren hoopt te bekleeden van hem eischt, is het natuur­lijk dat de grondtoon van zijn gemoed ernst is. Ernst, ik bedoel niet lang-gezichttrekkerij, deftigheid, dominésachtig­heid, meest in tegenwoordigheid van andere studenten, de nare witgedastheid van het doodgetrapte studentje van Piet Paal­tjes, maar ware ernst, die zich ook verstaan kan met feest­vreugde en scherts en de dwaasheid van den jong student niet dadelijk zonde acht, maar toch niet vergeet dat het leven ernst is, dat vooral zijn levensdoel ernstig zal zijn…”
Helaas, aldus de lector, ontstaat er zo wel “een geest van be­treurenswaardig maar niet geheel onverklaarbaar exclusivisme”.

De eerste leden van Excelsior zijn studenten geweest zijn aan wie het corpsleven, en zeker de ontgroening, niet echt besteed was. Bovendien valt op dat een groot aantal van de Excelsiorieten uit Friesland (Sexbierum, St.Johannesga, Spannum, Sneek (twee keer)) afkomstig is en enkele studenten een Elberfelder ach­tergrond hadden en dus leerlin­gen van Kohlbrugge zijn geweest.
Van de 25 leden die ons bekend zijn uit de jaren 1870-1880 zijn er drie met de Doleantie meegegaan en gereformeerd predi­kant geworden: Knoll in Zwijndrecht, Fernhout in Zwartsluis en Hoekstra in Utrecht. De anderen bleven “gewoon hervormd”. Ove­rigens is er één onder de eerste leden, die na twintig jaar predikant geweest te zijn in de Hervormde Kerk in 1900 Luthers predikant in Woerden werd, ds. A.P. de Groot.
Als je de leden van Excelsior in deze jaren zou moeten karak­teriseren dan moeten we zeggen: orthodox-hervormd. Sommige leden zou men misschien ethisch moeten noemen, andere confessioneel of kohlbruggiaans, maar orthodox waren ze, afgaande op hun kerkelijke loopba­nen, eigenlijk allemaal. De Gerefor­meerde Bond be­stond natuurlijk nog niet, maar er zijn later ook wel leden die zich het meeste in de Bond thuis voelden.

* Heinrich Andreas Johannes Lütge
Geb.23-6-1850 Elberfeld; overl.26-6-1923 Heemse (Hardenberg)
Van 1874 tot 1878 was Lütge hervormd predikant te Nederhorst den Berg, van 1878 tot zijn emeritaat in 1919 te Amsterdam. N.G.J. van Schouwenburg tekent hem in zijn “Nagelaten Sporen” (Amsterdam 1943) alsvolgt: “Wij zien dus Ds. Lütge weer voor ons. Een patriarchale figuur. Corpulent, deftig; altijd in gekleede jas met een hooggeslo­ten vest en een smal, zelf  gestrikt dasje. Op straat: de hooge hoed; eerbiedwaardige lange, grijze lokken komen er onder uit. In de hand de wandelstok met ivoren knop. Een bril met gouden montuur op de eenigszins gebogen neus. In den winter en bij strenge koude een zware pelsjas…. zoo bewoog hij zich met korte passen door Amster­dam. Door heel de stad, want Ds. Lütge is pastor over allen die hem volgen, waar ook binnen de uitgestrekte gemeente woonachtig. Jaren lang heeft Ds. Lütge zich bediend van een rijtuig. Achterover geleund in zijn coupétje, met zijn “eigen” koetsier, verraad­de het dikwijls, waar de predikant een langdurig bezoek bracht bij één der “vrinden”. In later jaren werd het rijtuig vervangen door de tram en voor weinig conducteurs was hij een vreemde. Wellicht was zijn van nature vrijgevige aard daar ook niet vreemd aan.” In Amsterdam ontpopte Lütge zich als één van de felste tegen­standers van Abraham Kuyper. Het herstel van de kerk werd volgens Lütge niet bereikt door menselijke inspanningen, maar door de rechte prediking van de Kerk: “Jij moet ophou­den het zelf te doen en je moet het aan God overla­ten, dat Hij het doe!”, riep Lütge Kuyper na, toen Kuyper na een lange avond dis­cussiëren eindelijk wegging. Lütge heeft veel gedaan voor de “wederop­bouw” van de Amsterdam­se Hervormde Gemeente na de Dole­antie, met name op het gebied van de cate­chese (hij gaf overigens cijfers bij het overhoren op de catechisa­tie!)
Bekendheid kreeg Lütge als hoofdredacteur van het “Amsterdamsch Zondagsblad”, waarin hij veel over Kohlbrugge publiceerde. Naast preken is er een aantal theologische werken van hem uitge­ge­ven, onder andere over de kerk in Bohemen en een vertaling van een tweetal werken van Bullinger (samen met dr. G. Oorthuys).

* Gerardus van Dorssen sr.
In 1870 ab-actis. Hervormd predikant te Lexmond (1875), Berkel (1877), Staphorst (1881), Varsseveld (1883), Rijssen (1889), Elburg (1891), Oudega-Idsega (1900), 1920 emeritaat.

* Johannes Gerardus Bruining
Geb.24-2-1849 Batavia.
In 1870 fiscus. Hervormd predikant te Nieuw-Beijerland (1875), Vreeswijk (1878), Workum (1883), Schoonhoven (1884), Leerdam (1892) en Middelharnis (1908).

* Hendrik Hoekstra
Geb.2-9-1852 Sneek; overl. 31-12-1915 Arnhem
In 1872 ingeschreven aan de Universiteit; candidaat in 1878. Hervormd predikant in Idsegahuizen (1879), Berlikum (1881) en Utrecht (1885). Leidde samen met ds G.Ring­nalda in maart 1887 de Doleantie in Utrecht. Daar bleef hij predikant tot 1892, toen hij naar Kollum vertrok. In 1894 werd hij gereformeerd predikant te Schiedam en in 1898 te Arnhem.

Van 1880 tot 1910

Over de geschiedenis van Excelsior in deze jaren is eigenlijk niets bekend. We kunnen alleen de namen noemen van enkele leden uit deze jaren.
In 1891 vond de installatie plaats van dr. Joh. Lammerts van Bueren; hij was predikant in Bunnik, Rotterdam en Amsterdam, en van 1914-1937 te Zetten waar hij directeur was van de Heldringstichting. Hij was een bekend en gevierd spreker, met name op het terrein van de Inwendige Zending. Na zijn emeri­taat werd Lammerts van Bueren nog CHU-wethouder te Zeist.
In 1900 werd geïnstalleerd ds. A.B. te Winkel, die voorzitter geweest is van de Confessi­onele Vereniging en één van de voormannen van de vereniging “Kerkherstel” (1930).
In 1901 is lid geworden de latere Utrechtse hoogleraar prof. dr. M.J.A. de Vrijer, in 1905 de Leidse hoogleraar Korff en in 1906 vond de installatie plaats van de latere hoogleraar te Groningen prof.dr. Th.L. Haitjema.

* Marinus Johannes Antonie de Vrijer
Geb. 4-8-1881 Rotterdam; overl. 14-5-1969 Heemstede
Lid van Excelsior geworden in 1901. Hervormd predikant te Odijk (1906), Bloemendaal 1920) en Amsterdam (Oude Kerk, 1932). Eerste voorzitter van de Bond van Nederland­sche Predikanten. Onder andere over zijn vele (ook sociaal-diaco­nale) arbeid in de Amsterdamse Oude Binnen­stad schr­eef zijn vrouw, mevrouw M.J. de Vrijer-Struijs het inder­tijd veel gelezen en nog steeds lezenswaardige “Dertig jaren Domi­nee­sche”. In 1935 werd hij in Utre­cht tot kerkelijk hoogleraar benoemd (vaderlandse kerkgeschiede­nis, bijbelse godgeleerdheid, zending).
Van 1949 tot 1951 werkte hij nog als hulpprediker te Hemmen en van 1951 tot 1953 als geestelijk verzorgen van Sanatorium “Zonnegloren” te Soest. De Vrijer, bij de studenten een geliefd hoogleraar en regelmatig aanwezig als feestpraeses op de EDJ-dies en -lustra, is onder andere bekend geworden door zijn werken over Smijtegelt en Schorting­huis. Zijn opvolger Van Ruler roemde De Vrijers aandacht voor de bevindelijkheid, in de hoogtijdagen van het barthianisme.

* Frederik Willem Adrianus Korff
Geb. 6-12-1887 Amsterdam; overl. 14-10-1942 Haarlem
Op Excelsior geïnstalleerd in 1905. Was hervormd predikant te Hoogersmilde (1913), Dedemsvaart (1918) en Heemstede (1923). In 1932 benoemd tot kerkelijk hoogleraar te Leiden (dogmatiek, zendingsgeschiedenis, kerkrecht en christelijke ethiek). Korff was één van de oprichters van de vereniging Kerkopbouw. Zijn bekendste werk is zijn tweedelige “Christologie” (1940-1941). Hij was een geliefd docent en prediker, een irenische figuur; men rekent hem tot de (late) ortho­doxe ethisch-hervormden.

* Theodorus Lambertus Haitjema
Geb. 2-10-1888 Laren (Gld.); overl. 17-5-1972 Apeldoorn
Geïnstalleerd op Excelsior in 1906. Hervormd predikant te De Meern (1914), Hoogma­de (1916) en Apeldoorn (1918). Van 1923 1959 kerkelijk hoogleraar te Groningen (dogmatiek, kerkrecht en vaderlandse kerkgeschiedenis). Hij werd bekend als voor man van de Confessionele Vereniging en de CHU. Hij was voor­zitter van de vereniging “Kerkherstel” en had een belang­rijk aandeel in de totstandkoming van de nieuwe kerkorde van 1951. In 1968 verscheen in “Woord en Dienst” een interview van Puchinger (ook EDJ) met Haitjema waarin hij Excelsior  het dispuut noemt, “waarvan ik lid was en waarvan ik nu erelid ben en waar ik ongetwijfeld ook veel geleerd heb”. Naar een woord van Van Niftrik was Haitjema degene die zijn mede-con­fessione­len leerde minder wantrouwend tegenover Barth te staan.

Van 1910 tot 1920: Trouw aan elkaar

Vanaf 1910 is er weer wat meer bekend over de geschiedenis van Excelsior. In de lustrumalmanak uit 1980 staat een interview met het toen oudste nog levende oud-lid, ds. J.J. Ploos van Amstel. Hij was lid van EDJ van 1913 tot 1918. Het dispuut was indertijd erg klein, hooguit tien leden, waaronder geen dames. De kerkvergaderingen werden gehouden in de Jacobikerk, en de kamervergaderingen op de kamer van één van de leden. Ds. Ploos van Amstel herinnert zich nog een mooi mos: in de maand mei was er om de winter af te sluiten en de lente in te luiden een nachtwandeling. Met de bus gingen de Excelsiorieten naar Zeist en vandaar liepen ze, volop lawaai makend terug naar Utrecht “alwaar zij in de vergaderplaats aan de Nieuwe Gracht hun benen uit het raam lieten hangen en keken hoe de rest van Utrecht ontwaakte”. Bovendien leverde EDJ aan een school in Utrecht ieder jaar december een Sinterklaas!
Volgens Ploos van Amstel waren de leden “trouw aan elkaar. De leden vergaten elkaar, ook later, niet”.
Dat het dispuut in deze jaren erg klein was, bevestigde ds. P. Visser bij het lustrum van 1960. Hij was toen het oudste nog levende lid en herinnerde zich hoe in 1918, het jaar dat hij op EDJ aankwam, er nog net genoeg leden waren om een bestuur te vormen…

De indruk ontstaat, de namenlijst overziende, dat in deze jaren de leden van EDJ een wat gemêle­erder gezelschap vormen: de meeste leden waren “gewoon her­vormd”, maar we komen nu ook de latere lutherse hoogleraar P. Boendermaker tegen, naast iemand als prof. Severijn, de latere hoogleraar vanwege de Gerefor­meerde Bond. In 1915 is geïnstal­leerd Johannes Christi­aan Franken, in 1932 hoogleraar aan de Faculteit der Wijsbe­geerte te Utrecht.

* Johannes Severijn
Geb. 8-5-1883 Utrecht; overl. 2-7-1966 De Bilt
Geïnstalleerd op EDJ in 1910. Luitenant in actieve dienst 1914-1915. Hervormd predikant in Wilnis (1915), Leerdam (191­8), Dordrecht (1921). In 1929 werd Severijn lid van de Tweede Kamer voor de ARP. Van 1931 tot 1953 was hij hoogleraar in Utrecht (ethiek, godsdienstwijsbegeerte, wijsgerige inlei­ding, encyclopaedie), vanaf 1951 ook als bijzonder hoog­leraar vanwege de Gereformeerde Bond, waar hij in 1940 voor­zitter van was geworden. Hij publiceerde weinig strict weten­schappelijke werken, maar schreef veel in “De Waarheids­vriend”. Hij maakte de Gereformeerde Bond tot een zelfverze­kerde eenheid. Over Severijn doen veel anecdotes de ronde: zo had hij in de hoek van zijn studeerkamer een sabel  staan, als herinnering aan zijn militaire tijd. Als een student hier iets over vroeg, kwam er vervolgens van het tenta men niets meer terecht, omdat Severijn niet uitgepraat raakte over zijn diensttijd. Severijn schijnt het feit dat hij lid geweest was van Excelsior (een jeugdzonde) zo veel moge­lijk verzwegen te hebben (hij was mentor van Voetius). Op Excelsior ging over hem ook nog het “verhaal met de baard” (Severijn was in het bezit van een indrukwekkende,  uiteinde­lijk spierwitte baard): ooit schijnen enkele Excelsio­rieten, waarschijnlijk na een stevig feestje, hem ’s morgens om zes uur uit bed gebeld te hebben, met de vraag of hij nu met zijn baard boven of onder de lakens slie­p…

* Pieter Boendermaker
Geb. 8-8-1893 Amsterdam; overl. 16-11-1977 Hilversum
Geïnstalleerd op EDJ in 1913. Hersteld evangelisch-luthers predikant te Harlingen (1921) en evangelisch-luthers predi­kant te Hilversum (1925). Van 1946 tot 1963 was Boenderma­ker hoogleraar aan het Luthers Seminarie in Amsterdam. Hij was een promotor van het nieuwe Lutherse Gezangboek (1955) en is ook de dichter/vertaler van enkele gezangen uit het Liedboek voor de Kerken.

De twintiger jaren: “een practische club”

Waar het vandaan komt, is onduidelijk, maar er bevindt zich in het archief een jaarverslag van de ab-actis over 1926-1927. Eindelijk krijgen we de mogelijkheid om ook de werkzaamheden van de leden eens te bekijken! Er werden door de tweedejaars lezingen gehouden, uiteenlopend van “De ontwikkeling van de Zondagsschool” tot “Ludwig Feuer­bach’s Religionsphilosophie”. De ouderejaars hielden de pre­ken.

 “In de discussie’s werd aan de vorm van de preeken dik­wyls meer aandacht geschonken dan aan de inhoud en is E.D.J. aan haar traditie dat ze een prac­tische club is, trouw geble­ven. Het is echter de vraag of het wenschelyk is dat ze de theorie blyft verwaarloozen”.

Ook waren er “werkgroepen”, dit jaar met een bijzondere bedoe­ling:

“Meer contact onder de leden en meer wetenschappelyk resultaat dan op de gewone vergaderingen werd bereikt op de studieclubs van 4 à 6 personen, die georganiseerd waren met betrekking op de komst van Karl Barth. Op deze clubs werden eenige boeken van en over hem doorgewerkt en beslagen kwamen velen van ons ten ys, toen Prof.Dr.Th.L.Haitjema ons op een Excelsior-vergadering kwam uitleggen, welke overeenkomst hij zag tusschen Willem Bilderdyk en Karl Barth en toen eenigen tyd later Barth zelf in levenden lyve voor ons verscheen”.

De theologie van Barth moet in deze jaren grote indruk hebben gemaakt en is eigenlijk nooit van de Excelsior-agenda verdwe­nen, tot op de huidige dag.

Van de leden uit de twintiger jaren noemen we ds. J.F. Berkel (inst. 1919), die in Apeldoorn de hofpredikant van koningin Wilhelmina was, en ook bij haar begrafenis aanwezig was; in 1921 werd de latere lutherse hoogleraar prof.dr. C. Riemers geïnstal­leerd.
In 1926 kwam op Excelsior J. Loos aan. Hij veroorzaakte grote opschudding toen hij als hervormd predikant in Hilversum (hij was ook voorzitter van het “Hilversums Convent”), besloot om over te gaan naar de Rooms-Katholieke Kerk (1953). Zodoende werd hij in 1963 de eerste gehuwde priester in Nederland.

* Cornelis Riemers
Geb. 28-4-1900 Den Helder; overl. 28-12-1967 Amsterdam
In 1921 werd Riemers op Excelsior geïnstalleerd. In 1925 werd hij predikant bij de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk van Harlingen en in 1929 werd hij evangelisch-luthers predikant te Wildervank, in 1931 te Naarden-Bussum en in 1939 te ‘s-Gravenha­ge. In 1943 werd hij predikant in Amsterdam, in 1945 als predikant-directeur van de Luther­se Diaconessen Inrichting aldaar. In 1963 werd hij benoemd tot hoogleraar aan het Evangelisch-Luthers Semi­narie (Ethiek, Bijbelse Theo­logie en Praktische Theo­logie).

In 1929 neemt men vanuit EDJ het initiatief om een nieuw dispuut op te richten in verband met het grote aantal theolo­giestudenten.
Oud-Excelsioriet H. van Schothorst wordt tot praeses gekozen van het nieuwe dispuut dat de naam Collegium Theologicum “Septimum” gaat dragen: het is het zevende dispuut na Secor Dabar (1844), Elias Anne Borger (1857), EDJ en Progredior (beide 1870), Voetius (1899) en Koinoonia (1925). Onder de oud-leden van Septimum vinden we bekende namen als G.C. van Niftrik, A.F.N. Lekkerkerker, C.P. van Andel en A.H. van den Heuvel. In 1958 wordt besloten om weer met Septimum te fuse­ren.’

1930-1940: Karl Barth én de eerste dames

“De beste mensen hier op aard’ zijn theologen zonder baard”. Niet alle Excelsiorieten uit deze jaren zullen dit varium (op prof. Severijn) kunnen beamen: de invloed van Barth is ook in de dertiger jaren op Excelsior sterk; de meester zelf komt dan ook nog eens langs: in het jaarverslag over 1935-1936 maakt de ab-actis melding van een
 “bizondere vergade­ring waarop Prof. Dr Karl Barth uit Bonn zoo vriendelijk was in ons midden te zijn, om nader in te gaan op  verschillende vragen, die, in verband met zijn colleges, bij de leden van Excelsior waren gerezen. Dat prof. Barth van de weinige uren, die hij in Holland door­bracht, een middag aan Excelsior wilde geven, stellen wij zeer op prijs.”

En behalve Barth was er nog een belangrijke nieuwe factor op EDJ: de vrouw! In 1934 werd mej. G.W.H. Rutgers als eerste vrouw geïnstalleerd en in 1936 mej. M.C. Barbas. In de lus­trum-almanak van 1980 is een interview met haar gepubliceerd. Zij zegt daarin dat in de dertiger jaren binnen de studie de vrouw maar matig werd geaccepteerd, soms zelfs genegeerd. Binnen Excelsior heeft ze echter nooit problemen hiermee gehad. Ze omschrijft de leden als “midden-ortho­dox, maar er was ook een enkele vrijzinnige”.

Ter gelegenheid van het lustrum in 1930 hield prof. Haitjema een lezing, getiteld “Zestig jaar Nederlandsche theologie”; een lezing die samen met de rede van de toenmalige praeses (dr. G.Ph. Schee­rs, de latere biograaf van Hoedemaker) uitge­geven werd en zich nog in het Excelsior-archief bevindt. Vijf jaar later was Haitjema weer uitgenodigd voor het lustrum. Ditmaal sprak hij over: “Wie zijn wij theologen? En wat is onze theo­logie?”

De kamervergaderingen in deze tijd werden nog steeds bij leden op de kamer gehouden, de kerkvergaderingen in de Pieterskerk, met prof.dr. A.M. Brouwer als vaste eindcriticus.
Onder de leden uit de dertiger jaren komen we wel heel veel bekende namen tegen: prof.dr. K. Strijd (geïnst. 1931), dr. C. Aalders (geïnst. 1933; sinds 1963 in Utrecht docent aan de Pastoraal- Psychologische L­eergan­gen), prof.dr. H. van der Linde en prof.dr. J.C. Hoe­kendijk (beide 1936), ds. P.F.Th. Aalders (geïnst. 1937; hij was eind zeventiger, begin tachti­ger jaren vaste eindcri­ticus van Excelsior, waarna hem het erelidmaat­schap werd verleend), prof.dr. J.M. Hasselaar, prof.dr. J.H. Hospers en prof.dr. J.M. van der Linde (alledrie in 1938).

* Krijn Strijd
Geb. 18-9-1909 Rotterdam; overl. 30-10-1983
Strijd is op Excelsior geïnstalleerd in 1931. Hij was her­vormd predikant in Blija (1936), Oisterwijk (1939), Hengelo (1941), zat in de oorlog in enkele kampen, werd in 1947  predikant in ‘s-Hertogenbosch en in 1961 in Amsterdam als studiesecretaris voor Kerk en Vrede. Hij werd in 1968 in Amsterdam benoemd als kerkelijk hoogleraar (onder andere ethiek). Hij genoot landelijke bekendheid als paci­fist en was ook één van de mede-oprichters van de PSP. Hij zei zelf het meeste voor zijn geestelijke en socia­le vor­ming te danken te hebben aan Jeremi­a, Marx, Lenin en Anselmus.

* Hendrik van der Linde
Geb. 2-11-1915 Utrecht
Zijn broer, prof. J.M. van der Linde, was ook lid van Excelsior; een andere broer, kerkhistoricus prof. S. van der Linde, was lid van Voetius. Hij was hervormd predikant in Beek-Ubber­gen; in 1947 promoveerde hij cum laude op een proef­schrift over de Rooms-Katholieke Kerk en de oecumene (“Rome en de Una Sancta”). In 1948 werd hij studiesecreta­ris bij de Raad van Kerken in Neder­land en in 1953 werd hij hervormd predikant in Middelburg. In 1960 maakte hij daar de overstap naar de Rooms-Katholieke Kerk; hij werd tot priester gewijd en in 1965 werd hij in Nijmegen buitenge­woon hoog­leraar in de geschiedenis en de problematiek van de oecumeni­sche beweging.

* Johannes Christiaan Hoekendijk
Geb. 3-5-1912 Garut (Java); overl. 26-6-1975 Long Island
Geïnstalleerd in 1936, praeses 1938-1939. Na de Tweede Wereldoorlog werkte hij als docent in Jakarta; Daarna was hij secretaris voor evangelisatie bij de Werel­draad van Kerken in Genève en van 1952 tot 1965 hoogleraar te Utrecht. In 1965 werd hij hoogleraar aan Union Theological Seminary te New York. Het wezen van de Kerk was volgens hem de zending: de Kerk was er voor de wereld. In zijn Utrechtse jaren had hij, als vaste eindcriticus grote invloed op de Excel­siorieten: er was, mede door zijn invloed, een “hoe­kendijkiaanse” kritiek op de kerk.

* Johannes Martinus Hasselaar
Geb. 13-5-1917 Amsterdam; overl. 20-10-1992 Utrecht
Geïnstalleerd 1938, praeses 1945-1946. Hervormd predikant te Boxmeer (1947), Semarang (1954), Jakarta (1955), Utrecht (1959, tevens studentenpredikant en Universi­teitspredikant),
In 1964 benoemd tot docent dogmatiek te Utrecht, als assistent van prof. Van Ruler en in 1971 tot kerkelijk hoogleraar. Zijn bekendste werk is “Wegen en kruispunten in de dogma­tiek”, samen met prof. E.J. Beker. Na zijn over­lijden in 1992 ken­schetste zijn opvolger prof. De Knijff hem als een “innige Barthiaan.”

* Johannes Hendrik Hospers
Geb. 5-2-1921 Eindhoven; overl.
Hospers, geïnstalleerd in 1938, was na de oorlog eerst bijzonder lector Arabisch te Utrecht en van 1948 tot 1983 was hij hoogleraar Semitische talen te Groningen.

* Jan Marinus van der Linde
Geb. 7-11-1913 Utrecht; overl. 6-7-1995 Zeist
Geïnstalleerd in 1938 en gehuwd met een andere Excelsioriet, Anna Rijksen. In 1942 werd hij godsdienstleraar te Nieuwersluis, en in 1943 hervormd predikant te Rhenoy. In 1946 werd hij predikant te Zeist. In 1951 ging hij naar Parama­ribo, naar de opleiding voor Surinaamse voorgangers. Hij was rector van het Theologisch Seminarie van de Evangelische Broederge­meente en werd in 1958 benoemd tot bijzonder hoogleraar vanwe­ge de Evangelische Broe­dergemeente voor “de geschie­denis der Unitas Fratrum en de kerkgeschiedenis van het Caraïbisch gebied”. In 1965 werd hij vaste eindcriticus van Excelsior.

Juist in de dertiger jaren wordt duide­lijk hoezeer de ge­beur­tenissen in Duitsland de agenda van Excelsior bepalen; naast lezingen en memorisaties als “Het verloren Paradijs”, “Gees­telijke stroomingen die de Jeugd verhinderen tot Christus te komen”, “De Achterhoek” en “Bijge­loof, speci­aal in Vlaande­ren”, zijn er lezingen met titels als “Het oorlogsvraagstuk” en “Adolf Hitler en de Kerk”…

1940-1945: “In de maalstroom der gebeurtenissen”

Een buitengewoon duistere en verwarde tijd breekt nu aan. In maart 1940 schrijft de ab-actis nog in zijn jaarverslag: “We hadden niet verwacht dat we zo ongestoord, precies als vorige jaren, het gehele jaar konden werken. Zelfs moeten we bekennen dat de oorlog geen merkbare invloed op onze werkzaamheden heeft gehad. Ons studentenleven gaat nog even opgewekt door.”
De ab-actis, C.J.P. Mackaay, schrijft dit met een gevoel van onbehagen. Het jaarthema “Kerk” werd op allerlei manieren belicht, exegetisch en dogmatisch, maar

 “wanneer een enkele maal een geluid opging over de kerk in de wereld, over de verdrukking, die overal weer komen zal (en Holland zal daar niet buiten blijven), dan werd dit zo ongeveer voor kennisge­ving aangenomen. (…) We hebben weer enige maanden gelezen en geluisterd en gediscussieerd over theologische, philosophi­sche, psychologische en allerhande andere onderwerpen, belang­rijk en bijkomstig. We hebben weer enige maanden als dispuut­vrienden bij elkaar op kamer gezeten, cigaretten gerookt, geroddeld en geredeneerd, geredeneerd vaak tot het totaal belachelijk was, zulk gepraat in zulk een tijd.”

Een jaar later, in 1941 is dit helemaal anders:

“Werd in het vorig jaarverslag nog gezegd, dat de oorlog geen merkbare invloeden op onze werkzaamheden had gehad, nú stonden wij midden in de maalstroom der gebeurtenissen, en werd de gehele sfeer der vergaderin­gen en de loop der discussie daardoor bepaald.”

Het was eigenlijk niet meer mogelijk om normaal te functione­ren onder deze omstandighe­den, alleen al omdat er telkens toestemming moest worden gevraagd om vergaderingen te houden, die wel telkens om 23.00 uur afgelopen moesten zijn.

Maar er waren nog veel grotere problemen:

 “Reeds aan het begin van het jaar [1941-1942, CB] deed zich een feit voor, dat gedurende de lange tijd de gedachten in “Excelsi­or” heeft beheerscht en nog steeds de aandacht blijft vragen. Toen de verordening afkwam, dat Joden geen lid meer mochten zijn van niet-commercieele vereenigingen, meende nl. een deel van de leden en ook enkele eereleden, dat “Excelsior” onder deze voorwaarde geen theolo­gisch gezelschap meer kon zijn en zich dus op moest hefffen. E.D.J. is toen gedurende eenige tijd, waarin allerlei informa­ties zijn gewonnen, geschorst geweest, teneinde onze houding te bepalen.”

In februari 1942 is Excel­sior echter op dit aanvanke­lijke besluit teruggekomen. Er was een bijeenkomst belegd met oud-leden, waar hun raad gevraagd werd. Nadat professor De Vrijer midden in de vergadering had geknield en in gebed was voorgegaan, besloot men toch door te gaan met de werkzaamheden. In een brief aan de andere dispu­ten liet men weten waarom: door het volkerenrecht is de veror­dening voor nietig verklaard; wie er toch mee rekent, geeft eigenlijk aan de bezetter toe: macht is recht. Boven­dien:

 “Het is ons in deze tijd vooral geboden de gelegenheid om gezamen­lijk ons theologisch inzicht te verrij­ken en te verdiepen met beide handen aan te grijpen. Het zal dit argu­ment geweest zijn dat onze Hoogleraren ertoe gebracht heeft om zo unaniem tegen opheffing te advise­ren (…) Laat ons in deze tijd niet ophou­den om elkaar juist als theologen aan onze roeping tegenover het uitverkoren volk te herinneren (Rom. 9-11)”.

De bepalingen van de bezetter werden echter steeds scherper. In 1942 kwamen de bepalingen met betrekking tot de Arbeitseinsatz. Juist ook voor (mannelijke) studenten vormde dit een grote bedreiging om te werk te worden gesteld in Duitsland, wat ook met enkele Excelsiorieten gebeurd is. De synode van de Nederlandse Hervormde Kerk wist echter te bewerkstelligen dat, naast geestelijken, later ook theologiestudenten vrijgesteld werden. In het voorjaar van 1943 werd bepaald dat alle studen­ten een loyaliteitsverklaring moesten ondertekenen, waarin zij zich ertoe verplichtten “zich naar eer en geweten te houden aan de in het bezette Nederlandsche gebied geldende wetten , verorde­ningen en andere voorschriften en zich te onthouden van alle tegen het Duitsche Rijk, de Duitsche Wehrmacht of de Neder­landsche autoriteiten gerichte handelingen en uitlatingen die in de telkens gegeven omstandigheden een gevaar betekenen voor de openbare orde aan de Universiteiten en Hoogescholen.”
De meeste studenten echter weigerden om deze loyaliteitsver­klaring te tekenen en het onderwijs lag eigenlijk stil. De Hervormde Kerk begon met een eigen opleiding: de Bijzondere Theologische Noodcursus in Amersfoort en Assen. Bij de kerke­lijke hooglera­ren aan huis werden er colleges gegeven en tentamens afgenomen.

In het lustrumboek uit 1985 staat een gesprek met mevrouw ds. I.W.K. Liefferink-Oberman. Zij vertelt over het dispuutsleven in deze jaren: “De eerste jaren hebben we hard gewerkt, gethe­ologiseerd, onze preekschets gemaakt, maar verderop in de oorlog is Excelsior uiteen gevallen. De mensen gingen naar huis, in Utrecht werd het te koud, want je had geen steenkool meer en geen eten. Sommigen waren ondergedoken, anderen hadden het te druk met allerlei zaken. Ik kan je dan ook niet veel vertellen over Excelsior in de oorlog. Ik weet niet wat ze allemaal hebben gedaan, maar dat was juist heel typerend voor die tijd, het was een tijd van zwijgen. Je wist niet of de ander te vertrouwen was, dat merkte je pas aan iemands daden. Ik kan je niet zeggen: Excelsior was moedig in de oorlog. Ik kan je wel zeggen: er waren Excelsiorieten die moedig waren in de oorlog.”

Het was een verwarrende tijd: in januari 1943 schreef Ika Oberman, die toen ab-actis was: “Komt allen terug in Utrech­t”, maar een maand later kwam er een brief van A3 (praeses Adri van den Bosch) die de leden opriep om vooral níet terug te gaan naar de Universi­teit: in de tussentijd was één van de leden, Gerrit Nutbey, slachtoffer geworden “van de overval op onzen Univer­siteit. (…) Al wordt de zaak ook nog zo gunstig voorgesteld, ga niet terug naar de Universiteit! “Bonafide” wetenschapsbe­oefening is geen weten­schap, maar propaganda. Vergeet trouwens het gevaar der razzi­a’s niet! (…) Uit den aard der zaak schors ik alle dispuut­werk tot na den oorlog. De “totaler Krieg” is afgekondigd. Alle arbeidskrachten in dienst van het Regnum Tertium. De kerk kondigt ook de “totale oorlog” af (21-II-43): Alles in dienst van den Heer der Kerk. En Hij gebiedt ons: Geeft geen gehoor aan welken oproep ook voor arbeid in D. Duikt weg, of wat ook maar laat je niet werven!! Iedere stu­dent die wordt geronseld betekent weer idem zoveel langere oorlogsduur en verdrukking. Wegschuilen achter de “Providen­tie” is geen geloof. Dit alles moeten jullie niet beschouwen als Oranje-Nationalistisch gepraat (hoewel dat ook zijn waarde heeft), maar als theologische noodzaak, Gegroet met een hand­druk en den Heer bevolen, jullie A3,  SVP. VERNIE­TIGEN!

George Puchinger herinnert zich (in de lustrumalmanak 1995) hoe in deze jaren in spertijd, ’s nachts van twaalf tot vier uur ’s morgens dikwijls gemonopolied werd. Het schijnt dat Jan Wit hierbij regelmatig de bank deed springen! Door alle problemen ontstond er tussen de leden toch ook een zekere saamhorigheid; Puchin­ger: “we werden door de Duitsers be­dreigd, en steeds meer uiteengeslagen, en juist ook dat gaf een band!”

In het archief bevindt zich nog een uitnodiging voor een lezing door prof. Van der Leeuw op 8 februari 1943. Of deze lezing doorgegaan is, is niet duidelijk. Overigens was het gebruik dat het dispuut, meestal in het voorjaar, iemand uitnodigde om een lezing te houden, waarvoor ook vertegenwoor­digers van andere disputen werden uitgenodigd. Zo zijn naast Van der Leeuw ook bijvoorbeeld Kraemer, Noordmans en Van Ruler langs geweest op Excelsior.
Tot in februari 1943 werden er leden op Excelsior geïnstal­leerd. Uit deze tijd noemen we de namen van ds. A.C.D. van den Bosch, (de zoon van de, in de oorlog in Duitsland omgekomen, bekende Haagse predikant D.A. van den Bosch), die bekend werd als dagsluiter bij de NCRV (geïnst. 1939; praeses in de oor­log), dr. G. Puchin­ger, de bekende historicus (die én niet hervormd, én geen theoloog was; na een gastlidmaatschap geïnstalleerd in 1942) en de dichters Jan Wit en Ad den Bes­ten.

* Jan Wit
Geb. 1914 Nijmegen; overl. 1980
Geïnstalleerd 1941, praeses 1946-1947. Hij bracht zijn jeugd door op het blindeninsti­tuut Barthimeüs. Naast een muziekop­leiding studeerde hij theologie in Utrecht en Parijs; hij was Waals predikant in Nijmegen van 1948-1967. Hij was één van de medewerkers aan de nieuwe psalmberijming en ook dichter en vertaler van vele gezangen uit het Liedboek voor de Kerken. In 1969 ontving hij een eredoctoraat in de theologie aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Van 1971 tot zijn dood in 1980 was hij daar docent hymnologie aan het Instituut voor Liturgiewetenschap in Groningen.

* Adriaan Cornelis den Besten
Geb. 1923 Utrecht;
Geïnstalleerd 1941. Dichter en essayist en medewerker aan de nieuwe psalmberijming en het Liedboek voor de Kerken. In 1967 werd hij, na een studie Duits, aangesteld als docent aan de Universiteit van Amsterdam. Den Besten promoveerde in 1983 op een proefschrift over het Wilhelmus.

1945-1960: Excelsior herrezen!

Excelsior herrezen! Dat staat bovenaan het variumboekje van oktober 1945. De werk­zaamheden konden weer worden hervat, na de moeilijke oorlogsjaren.
Deze variumboekjes werden gebruikt tijdens de diesvieringen. Ieder jaar werd de dies gevierd, in een restaurant in Utrecht of omgeving, met een copieuze diesmaaltijd. Tevens werden op de dies de eerstejaars (novieten) geïnstalleerd, die daarbij ook een cabaret moesten opvoeren.

In 1947 is het dispuutslied, het “Iuvenes”, geschreven, vol­gens de traditie door mevr.ds. I.C. Jansen, ds. W. Rogge­veen en ds. C. Blomaard, in de mensa, terwijl prof. Van Unnik, die toen eindcriticus was er nog één verbetering in aanbracht. Overigens is in de loop der jaren er wel het één en ander veranderd in zowel tekst als melodie van het lied. Oorspronke­lijk luidde de tekst:”Iuvenes et virgines / Iuncti amicitia / Verbo Dei dediti / Cantamus voce maxima / Amor noster floreat / Fides nostra augeat / Spe nos adhortante / Finis sit Excelsior / Deo nos Iuvante.”
Dit nieuwe dispuutslied gaf in ieder geval ook aandacht aan de “virgines”, waar het oude nog zong van “Komt, broeders sterkt den vriendschapsband! Omhoog de vaan met kloeke hand! Op elk gebied de leus geplant: Met God EXCELSIOR!”

Excelsior was groot, zo na de oorlog: velen hadden in de oorlog niet kunnen studeren en zo kwamen er heel veel nieuwe leden bij. Onder hen bevonden zich nu ook enkele Baptisten-studenten, maar de meeste leden waren hervormd. Onder de leden uit deze jaren vinden we de namen van jkvr.drs. M.H. Reuchlin (geïnstalleerd 1946), die jarenlang als assistente van de kerkelijke hoogleraren in Utrecht heeft gewerkt (en als “de freule” een begrip was voor vele jaargangen studenten), en prof.dr. A.C. Zijderveld (hoogleraar sociologie aan de Eras­musuniversiteit in Rotterdam).

In 1950 werd het 80-jarig bestaan gevierd; prof. Haitjema was er weer en hield een lezing over “De huidige Nederlandse theologie en Karl Barth”.
Eindcriticus in de jaren na de oorlog was prof.dr. W.C. van Unnik. De vergaderingen werden voornamelijk gehouden in de Nicolaïkerk en in het gebouw Silo van de Baptisten in de Heerenstraat.
In 1960 werd het lustrum in de Dom gevierd met een lezing door dr. Martin Niemöller, die in de dertiger jaren één van de leiders van de Duitse kerkstrijd was. Op deze druk bezochte lustrumviering hield Anton Zijderveld, die toen praeses was, een rede die grote opschudding wekte: hij kondigde een nieuwe tijd voor de kerk en de theologie aan: dat was het begin van de zestiger jaren voor Excelsior.

1960-1970: Een kokende vulkaankrater…

Het was indertijd gebruikelijk dat de praeses een korte toe­spraak hield tijdens de “kennis­makingsthee” om de eerste­jaars een idee te geven wat het karakter van het dispuut was. In september 1967 gaf de praeses, volgens de notulen, de volgende omschrijving: de praeses stelde de eerstejaars “Empe­docles ten voorbeeld, die ons, aldus de praeses, helaas ont­vallen is. In 432 voor Christus stortte deze zich in de krater van de Etna om het geheim van deze berg tot op de bodem te doorgronden. Zulk een kokende vulkaankrater is Excelsior, wiens uitbarstin­gen wel eens bestaande theologische nederzet­tingen omverwer­pen, maar waarvan de lava buitengewoon vrucht­baar blijkt. Excelsior is bezig met de problemen van deze tijd. (…) Houden Excelsiorieten zich dan uitsluitend met theologie op wereldformaat bezig? zo zult u zich afvragen. Natuurlijk niet: er zijn er ook die zich bezig houden met zeldzame vissen, bromfietsen en auto’s, terwijl één lid al haar vrije tijd gebruikt om een leidende functie bij de UVSV te verwerven. Hierop signaleerde de voorzitter het najaars­weekend en de studieweek. De laatste, verzuchtte hij, baart ons wel eens zorgen; er zijn nl. nog steeds Excelsiorieten die in deze week echt willen studeren. Om de bijzondere sfeer te schetsen zij het u genoeg te weten dat één van ons elke morgen om vier uur een eitje op de pick-up bakte.”

Het “ketterdispuut”, zo werd Excelsior in de veertiger jaren al door sommigen genoemd, maar zeker voor deze jaren lijkt dat ook enigszins te gelden. Dr. Hans Visser (Rotterdam-Paulus­kerk) herinnert zich in de lustrumalmanak uit 1995 het jaar 1963-1964, waarin hij praeses was: “Wat ik van dat jaar nog goed weet, is dat we een grote rel hebben veroor­zaakt. Er was toen een hoogleraar Smits, die oervrijzinnig was. Hij had eind vijftiger jaren een artikel geschreven over de verzoeningsdood van Jezus Christus, ‘Geef mijn portie maar aan Fikkie’. (..) De Hervormde Kerk had hem toen net ook uit het ambt ontheven. Wij dachten: wij gaan die man uitnodigen, eigenlijk wilden we wel een rel. Nou, die kwam er ook. Het sloeg in als een bom.”

De zestiger jaren waren roerige jaren en ook Excelsior roerde zich dus geducht. Zo zeer zelfs dat prof. Van Itterzon, die ook over het beheer van het Theologisch Instituut aan Trans 10 ging, moest ingrijpen. Hij schreef in een briefje “De kamer die U volkomen gratis moogt gebruiken is naar U weet kortgele­den grondig gerestaureerd. Het komt niet te pas als ik nu verneem dat men zich gedraagt als een uitgelaten bende die niets weg heeft van een serieuze studieclub. Ik gun de studen­ten ten volle hun jeugd, maar het is buiten proporties, wan­neer men op de schoorsteenmantel gaat zitten met een stoel onder de voeten. Ik neem aan dat men uit een milieu komt waar men dit thuis ook niet mag doen.”

Excelsior liet ook buiten de eigen faculteit van zich horen. Op Hervor­mingsdag 1967 publiceerden 24 verontruste predikanten een “Open brief” aan alle leden van de Neder­landse Hervormde Kerk. Er was volgens hen te veel aandacht in de kerk voor het apos­tolaat: het ging te veel om het thema “Kerk en Wereld”, ter­wijl er te weinig aandacht was voor de gemeente zelf en voor de rechte prediking. Dit was de schuld van de midden-ortho­doxie, “die brede stroming in ons kerkelijk leven, die een vermenging is van confessionalisme, barthianisme en vrij­zin­nigheid.” De prediking kenmerkt zich door “schraalheid, armoe­de en kleurloosheid.”
Excelsior, waar de invloed van Hoekendijk nog sterk was, reageerde hierop met een eigen “Open brief”. Volgens Excelsior was de crisis in de kerk te wijten aan “de fundamentalis­tische prediking, zoals die nog wekelijks te beluisteren valt in verschillende Ned. Herv. kerken.” Excelsior pleitte vurig voor nog meer aandacht voor het apostolaat: “Het feit dat er op het ogenblik nog één schaap in de kerk zit, ontslaat de herders niet van hun verantwoordelijkheid jegens de 99 schapen die uit de kerk zijn weggelopen wegens verregaande ondervoeding.”
De Volkskrant weigerde Excelsiors “Open brief” te publiceren, Trouw gaf een korte samenvatting, maar de Friesche Koerier publiceerde de hele brief.
Een zekere heer Lageveen uit Lemmer las dit en schreef een brief aan Excelsior; hij vond Excelsiors “Open brief” “nog niet zoon gekke zin. Ons gevoel van onbehagen heeft allereerst betrekking op de o.i.onverantwoordelijke,en daardoor hoogst verwarrende en gevaarlijke wijze waarop in dit schrijven [van de 24 verontrusten – CB] met theologisch be­grippenmateriaal wordt omgespongen. Ik vraag mij af waarom men niet de bijbel gebruikt om zich te verdedigen.Dat deed zelfs de duivel in Jezus dagen en Jezus toonde hem aan,door steeds te zeggen er staat geschreven.Waarom doet U dit niet.Ik neem toch aan,dat U de bijbel heeft bestudeerd. (…) En Jezus zeide in Zijn tijd,Math 11:25.Vader Ik dank U,dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt,en aan de kinderen geopenbaard.En die theologen waarom het hier gaat komen toch allen van een hogere school. (…) Waarom spreekt men niet in de kerk rechtstreeks uit de bijbel en toont pre­sies aan waar het staat wat men zegd. (…) Maar ik mag graag met theologen praten en schrijven,men wordt er niet dommer van wat hen zelf betreft.En omdat er zoo veel soorten zijn,is het werkelijk wel intresant,teminste als men hierbij leest 1 Cor 1:10 ,en Joh 17:20,21.”

Niet iedereen kon echter alle moderne ideeën evenzeer waarde­ren. Fragmenten uit preken:

“We zeuren teveel, of er een hemel bestaat, ja dan nee. Christus zelf is het die er op hamert: niet later, maar nu al. Wij zijn het, die een hemel kunnen maken door sociale rechtvaardigheid en vrede, of breken door winstbejag en oorlog (…) De profeten, Christus, Luther en Lenin… (…) Gaat nu heen, de dag van morgen tegemoet, de nieuwe wereld in, die schreeuwt om daden van vrede en verzoe­ning.”

De rechtervleugel in de vergadering had wel de ver­trouwde kanseltaal gemist, die avond. “Over een poosje wordt uw stijl wel gewaardeerd, net als de bejaardenhuizen van nu”, sprak de linkervleugel bemoedigend. En eindcriticus prof. Van der Linde: “Hoed u voor Okke Jager, originele vondsten zijn te waarderen, maar niet in elke zin”.

In het begin van de zestiger jaren waren prof. Hoekendijk en prof. J. de Graaf (hoogleraar ethiek) als eindcritici aanwe­zig. Nogmaals Dr. Vis­ser, over de invloed van Hoekendijk: “We raakten onder andere door Excelsior steeds Hoekendijkiaanser. We hingen aan zijn lippen, waardoor we ook steeds kritischer werden t.a.v. het instituut kerk, op het laatst wilde niemand meer in de kerk werken. (…) er zijn vele dominees in die tijd voor Excelsior verlo­ren gegaan”.
Toen Hoekendijk in 1965 naar New York vertrok, werd zijn plaats ingenomen door een andere oud-Excel­sioriet, prof. J.M. van der Linde.
Het lustrum in 1965 werd in de Dom gevierd met een lezing door ds. Tullio Vinay, predikant in Riësi (Sicilië) die daar een ont­wikkelingsproject van de Wereldraad van Kerken leidde, gericht op sociale hervormingen.

Het kon er soms wild aan toegaan tijdens de vergaderin­gen. Er was in 1966 zelfs sprake van een ware pa­leisrevolutie! Het bestuur had voorgesteld om de kerkvergaderingen niet langer op vrij­dagmiddag, maar op donderdagavond te houden, om te voorko­men dat de leden tijdig de vergadering moesten verlaten, wat op vrijdagmiddag dikwijls gebeurde. Het bestuur maakte van dit voorstel een serieuze kwestie: werd het niet aangenomen, dan zou het bestuur opstappen. De vergadering vond dat dit voor­stel “ondemokraties” opgedrongen werd. Het bestuursvoorstel werd met een ruime meerderheid verworpen. Het bestuur trad af en een nieuw driemanschap nam plaats achter de tafel, om tot een nieuwe bestuursformatie te komen. Uiteindelijk kwam het oude bestuur weer terug en heeft men de kwestie, naar het lijkt, redelijk weten op te lossen. Mentor prof. Van der Linde: “Men moet er zeker de tijd voor nemen het stevig met elkaar oneens te zijn, maar laat de vriendschap er niet onder lijden, want Excelsior is een band voor het leven.”

Bij de leden uit deze jaren komen we de namen tegen van dr. J. Visser (geïnst. in 1960), bekend van de Rotterdamse Pauluskerk (opvang daklozen en verslaafden), mevr.dr. Fokkelien van Dijk-Hemmes, de jong overleden Utrechtse docente Oude Testa­ment/Vrou­wenstudies (geïnst. 1962), de huidige Utrechtse hoogleraar missiolo­gie prof.dr. J.A.B. Jongeneel (geïnst. in 1963) en de Utrech­tse docent Hebreeuws/archaeologie dr.K.J.H. Vriezen (samen met zijn latere echtgenote mevr. C.B. Vriezen-van de Flier in 1965 op Excelsior geïnstalleerd).

Uit deze jaren stamt ook de zogenaamde “vies-commissie”: tijdens de vergadering werd er bij bepaalde woorden “vies!” geroepen. Oorspronkelijk was dit “zedelijk vies”, later ook po­litiek of theologisch vies; zo schijnt zelfs Paulus op een gegeven moment “vies” geweest te zijn. Het belangrijkste lid van de vies-commissie was de uit Suriname afkom­stige Hesdie Zamuel; die kende namelijk het recept van één of ander vies drankje, maar het recept hiervan is, mét Zamuel naar Suriname verdwenen.
Overigens waren er naast enkele Surinaamse leden ook mensen uit Duitsland, Hongarije, België en zelfs uit Estland lid. Het dispuut werd ook steeds oecumenischer: bap­tisten, vrij-evange­lischen, leden van de Evangelische Broeder­gemeente, doopsge­zinden, gerefor­meerden, oud-katho­lieken en ook rooms-katho­lieken werden lid.

1970-1980: Ekselsior!

In het jaar 1969-1970 ging het erg moeilijk met Excelsi­or. Door een gebrek aan interesse en leden dreigde het dispuut ten onder te gaan. Uiteindelijk is er toch besloten om door te gaan, op weg naar het eeuwfeest. Het 100-jarig bestaan werd in de Geertekerk gevierd met een lezing door prof.dr. J. Verkuyl en prof.dr. H.M. de Lange.
Het enthousiasme en het ledental begonnen weer enorm te groei­en en zo werd Excelsior, of, meer in de stijl van de zeventi­ger jaren: “Ek­selsior”, nu als honderdjarige, weer een voor­aan­staand dis­puut!

Aan het eind van de zeventiger jaren nemen prof. De Graaf en prof. Van der Linde afscheid als vaste eindcriticus en wordt hun plaats ingenomen door prof. H.W. de Knijff (vanaf 1975) en oud-Excelsioriet ds. P.F.Th. Aalders (1979).
Onder de leden uit deze jaren vinden we de namen van prof.dr. G.G. de Kruijf, de huidi­ge Leidse hoog­leraar christelijke ethiek, de Utrechtse dogmaticus prof.dr. J. Muis (allebei in 1970 geïnstalleerd) en de huidi­ge Utrec­htse oud-testamenti­cus prof.­dr. B.E.J.H. Becking (geïnstal­leerd in 1971). Overi­gens bevin­den zich wat dit betreft in het ar­chief nog twee interes­sante lezin­gen: “Het leven in een Godlo­ze cultuur – Over de cultuur als be­dreiging voor het spreken over God” (een lezing van Jan Muis van 26 bladzijden) en van Bob Becking de lezing “Marxistiese religie kritiek” (25 blad­zijden)!

Zo rond 1975 is het dispuut erg groot: zo’n 40 à 50 leden. Het rommelt binnen Excelsi­or. Er ontstaan twee groepen binnen Excelsior. In het lustrumboekje van 1985 haalt oud-lid ds. M.G. Pettinga herinneringen op aan deze tijd. Op 29 maart 1976 kwam een groepje Excelsiorleden bijeen om zich te beraden op de situa­tie op Excelsior. Het ging om vier tweedejaars en twee oude­rejaars, die ontevreden waren met de gang van zaken op Excel­sior: de groep was te groot en de betrokkenheid van sommigen was maar matig. Maar er was ook een theologisch motief: “Op Excelsior was een vrij hechte groep, die tijdens de studie sterk onder de indruk gekomen was van Karl Barth en K.H. Miskotte. Wat mijzelf betreft was er een zekere gedreven­heid: Barth en Miskotte waren de norm. (…) Anderen ging dit Bar­thianisme veel te ver. Een Excelsiorlid waagde het in een preek te zeggen, dat bij deze Barthianen zelfs de Bijbel ondergeschikt dreigde te worden aan de grote meester Barth.”
Met name de sfeer tussen de eerstejaars en de tweedejaars leed hieronder: in de ogen van de tweedejaars waren de eerstejaars maar “een stelletje vrome lieden, die de vergadering met gebed wilden beginnen, maar die om Barth lachten zonder iets van hem te weten; dit laatste verschijnsel is inmiddels wijdverbreid”, aldus Pettinga. Bovendien hadden de leden van de zogenaam­de initiatiefgroep weinig op met de Excelsior-mores.
In het geheim werden er eindeloze discussies gevoerd. De initiatiefgroep schreef “vijf stellingen over theologie” op; op basis van deze stellingen zouden er nieuwe leden kunnen worden gezocht, bij voorkeur uit EDI-kring. Binnen Excelsior werd hier natuurlijk verontwaardigd op gereageerd: “Wat ver­beelden die eigenwijze tweedejaars, samen met die ouderejaars zich wel: anderen normeren aan hun belijdenisgeschrift!” Een breuk met Excelsior kon niet uitblijven en die kwam dan ook op 15 april. De initiatiefgroep vormde een nieuw dispuut, met een oude naam: “Septimum”. Zo’n twintig leden maakten de overstap van Excelsior naar Septimum. Binnen het nieuwe dispuut zouden echter al snel interne onenigheid ontstaan. Al snel werd Septimum een links dispuut, met nadruk op bevrijdingstheolo­gieën. In 1981 is Septimum gefuseerd met “Terzake” en vormde zo het nieuwe dispuut “Voorlopig”. Sindsdien is er niet veel meer van gehoord.

Uit 1977 stammen de Drongelendagen: ieder jaar in mei of juni werden er studiedagen gehouden in Drongelen (NBr.) bij de familie Van der Schans, de ouders van één van de leden; in 1984 zijn de heer en mevrouw Van der Schans uit dank hiervoor tot ereleden benoemd. Na 1984 werden de Drongelendagen in Castricum gehouden en soms abusieve­lijk zelfs Castricumdagen genoemd. De laatste jaren is er geen vaste locatie voor de Drongelendagen gevonden.

Een andere mijlpaal in de geschiedenis van Excelsior: in 1978 waren voor het eerst de damesleden in de meerderheid. Ook kwam er een behoorlijk aantal (synodaal) gerefor­meerde leden op Excelsior. Politiek werd het dispuut steeds linkser: in 1972 stemde 80 pro­cent op PPR of PSP!

In mei 1979 kwam, na twee illegale nummers, het eerste officiële nummer van het dispuutsblad “Talkpoederr” uit. In dit, slechts enkele malen uitgegeven, dispuutsblad vinden we inte­ressante rubrieken als “Pastoraal spreekuur door Leida”, het “Eerstejaars­hoekje”,gedichten van Nel Rotschop, “Voor onze kleintjes” door “jul-lie tan-te Cor-rie”, het vervolgverhaal “Canon laws are forever” over agent ± 007,05, alias George Bond (infiltrant in Voetius, hij werd gevangen genomen door de KGB [Krachtige Gereformeerde Bonders] en bewaakt door een preektijger!), geschre­ven door Frits Formulier.

1980-heden

Is het moeilijk om over de eerste jaren van Excelsior te spreken, het is zo mogelijk nog moeilijker om de geschiedenis van de jongste jaren weer te geven. Het valt voor de histori­cus niet mee om de eigen tijd te schilderen, omdat hij meer nog dan in het verleden nu zelf een rol speelt. De historie van deze jaren is dan ook zeer beknopt gebleven.

In 1985 neemt ds. Aalders afscheid als vaste eindcriticus en wordt tot erelid “nieuwe stijl” benoemd. Zijn plaats wordt ingenomen door prof.dr. M.J.G. van der Velden, de Utrecht­se hoogleraar praktische theologie. Van 1989 tot 1993 was boven­dien prof.­dr. M. den Dulk als vaste eindcriticus aan Excelsi­or verbonden. In 1993 werd hem als dank hiervoor het erelid­maat­schap aangeboden. Een jaar later bedankte prof. Van der Velden voor de functie van vaste eindcriticus en ook hij werd als erelid geïnstalleerd. Zijn opvolger is dr. H. Veldhuis, hervormd predikant te Culemborg. Gedurende al deze jaren was ook prof. De Knijff nog aan Excelsior verbonden.

In januari 1985 kwam het eerste nummer uit van een dis­puuts­blad, dat later de naam “mEDIum” zou krijgen, het dis­puutsblad dat tot op de huidige dag uitkomt. De eerste redac­tieleden van “mEDI­um” waren Eef Dekker, Rienk Lanooy en Aline Looman-Graas­kamp.
Ook in 1985 werd het 23e lustrum gevierd, en wel met het symposium “Chris­te­lijke interesse in joodse traditie. Waarom? Waartoe? Hoe?”. Ter gelegenheid hiervan werd ook een lustrum­bundel uitgegeven, getiteld “Uit de sjoel geklapt”.

In het voorjaar van 1995 werd het jaart­hema “Van Ruler” afge­sloten met een zeer druk bezocht symposi­um in het Acade­miege­bouw. Ter gele­genheid hiervan werd er een bundel uitgege­ven getiteld “De waarheid is theocra­tisch”.
In oktober 1995 werd het vijfentwintigste lustrum gevierd, met een lezing door dr. H. Veldhuis, hervormd predikant te Culem­borg en vaste eindcriticus van EDI over de Ethische Richting. Ter gelegenheid van dit lustrum werd ook een lus­trumbundel uitge­geven over de ecclesiologie van de ethischen, “Heel de kerk”. Hieraan werd onder anderen meegewerkt door de oud-leden ds. P.F.Th. Aalders en prof.dr. B.E.J.H. Becking en de beide vaste eindcritici prof. De Knijff en dr. Veldhuis. Tijdens het lustrumfeest werd een druk bezoch­te reünie gehou­den en werd prof. De Knijff als dank voor het twintig jaar lang verzorgen van de eindkritiek een appelboom aangebo­den.

Na 1995 kromp het dispuut behoorlijk, op een gegeven moment tot een groepje van ongeveer 10 actieve leden. Rond 2000 begon het dispuut weer verder te groeien. Het lustrum van 2000 werd gevierd met een symposium in de aula van het Academiegebouw rond het thema ‘Plurale Tantum – antropologie en identiteit in een postmoderne context’ met een ‘woordrijke’ lezing van prof. Harry Kunneman van de Universiteit voor Humanistiek.

Verschillende onderwerpen stonden de laatste jaren op de Excelsior-agenda. Grootheden als Augustinus, Jezus Christus en Calvijn werden (in deze volgorde) bestudeerd. Intensief waren gesprekken over Kerk en Israël, voorzienigheid, spiritualiteit (we denken dan aan de bijbel-lees-en-bid-voor-je-hart-club). Een terugkerend onderwerp in de rondvraag was het Koninklijk Huis. Rond het huwelijk van onze Kroonprins met mevrouw Zorreguieta op 02-02-2002 liet ons gezelschap zich ook niet onbetuigd waar het cadeaus en aanhankelijksbetuigen gold. Heugelijk was ook de Dies Natalis in 2002 waarop eindcriticus dr. Veldhuis geïnstalleerd als erelid.

In de laatste jaren werden warme vriendschapsbanden aangeknoopt met het Amsterdamse zusterdispuut ‘L.O.S.’ Opzienbarend mag de enquête genoemd worden die in maart 2002 werd gehouden naar de politieke voorkeur van de Excelsiorieten voor de Tweede Kamerverkiezingen. De opkomst onder de Excelsiorieten was 79 %. Het CDA haalde onder ons 60 % van de stemmen, Groen Links 33 %, de overige 7 % ging naar de PvdA. Geruchtmakend is ook het blad mEDIum met het sleutelverhaal ‘Eens zal Hoogerop bloeien (een feuilleton in vele delen)’, over een hoeve waar veel boeren rondlopen die op Excelsiorieten lijken

Tenslotte mag hier vermeld worden dat na enkele jaren van onvoorstelbare inspanningen het oudste theologische dispuut van Utrecht zich ook een website heeft verworven. Dit alles gaat boven bidden en beseffen!

Op deze manier gaat het werk van Excelsior door: samen studeren, discussiëren, drinken, lachen en leven. Iunxti Amicitia!

Februari 2003